Bijbelverhalen

NT. 42 – De Hemelvaart van onze Meester

Stel je voor dat jij als sportman/vrouw werd uitgekozen om Nederland te vertegenwoordigen op de Olympische spelen. Gaaf toch?

En dan na een ongelofelijk inspannende race wint je een gouden plak. Kun je het je voorstellen?

Wat volgt er dan? Juist ja, je komt op het erepodium te staan, op het hoogste treetje en je krijgt de Olympische medaille omgehangen. Wat een belevenis. Je popelt van verlangen om naar je land en je huis af te reizen en hem aan je vader, moeder of je vrienden te laten zien.

Nou zo iets dergelijks gebeurde er ook met Jezus, toen hij de klus geklaard had om de mensheid te redden. Hoor maar.

 

Het is nu al veertig dagen nadat de Heer Jezus uit het graf opstond.

Op een klein bankje in de opperzaal zitten twee mannen samen te lachen en te praten. Het zijn de twee broers Jacobus en Petrus. Ze houden elkaars handen vast.

“Sjonge, Petrus, weet je nog wel, dat we zo bang waren toen we de Meester voor de eerste keer na zijn opstanding in ons midden zagen staan?’ zegt Jacobus lachend.

‘Nou en of, Jacobus, ik schrok me een ongeluk. Ik dacht echt dat het een geestverschijning was! Trouwens wij allemaal toch?’ Petrus draait zich om naar de andere discipelen, die bezig zijn de tafel te dekken.

De anderen roepen instemmend van ja.

‘Jij zag zo wit als een doek, man!’ roept Filippus.

Dat vindt Petrus niet zo leuk om te horen. Hij is graag de stoerste.

Jacobus praat er maar gauw overheen.

‘Gelukkig toonde Jezus ons zijn handen en voeten…’ herinnert hij zich

‘Ja, en hij ging zelfs vis zitten eten. Nou ja, een spook kan dat natuurlijk niet. Wat waren we blij, hè jongens? En daarna hebben we hem nog vaak gezien. ‘k Ben benieuwd of hij vanavond ook bij ons zal zijn.’

De twee broers staan op om de handen te gaan wassen. De geur van gebraden vlees en vers brood doet iedereen het water in de mond lopen.

‘Wat denken jullie,’ vraagt Matteus, ‘zou het nog lang duren voordat Jezus het koningschap over Israel zal herstellen?’

Dat kun je aan hemzelf vragen, Matteus, ‘kijk eens wie daar is…’

‘Meester!!’roept iedereen verrast. Ze rennen naar hem toe…

 

Tijdens die maaltijd zegt Jezus erg belangrijke dingen.

‘Alleen mijn Vader weet de juiste tijd waarop het koningschap hersteld wordt,’ zegt hij, terwijl hij hen ernstiger dan anders ieder persoonlijk aankijkt. ‘Dat hoeven jullie niet te weten.  Maar als ik er niet meer ben, blijf dan in Jeruzalem. Wacht samen op de belofte van de Vader, de Heilige Geest. Daar heb ik al eerder met jullie over gesproken, weten jullie nog? Ik zei dat Johannes doopte met water, maar dat jullie met de heilige Geest gedoopt zouden worden.’

De mannen kijken hem niet begrijpend aan. Met de heilige Geest gedoopt worden? Wat houdt dat in? Er gaat iets gebeuren, dat is nu wel zeker, maar… wat wordt er van hen verwacht. Geeft Jezus hen nu een opdracht?…

‘Heer, wat moeten we met die heilige Geest doen?’

‘Luister goed,’ zegt Jezus, terwijl hij het hen uitlegt, ‘alles wat over mij geschreven staat in de boeken van Mozes en de profeten en in de Psalmen moest in vervulling gaan.’

O, wacht even… Ja natuurlijk! De puzzelstukjes vallen op hun plaats.

Het kwartje valt. Ineens snappen ze dat psalm 22 op de Heiland slaat en Jesaja 53 ook en de vorm van de tabernakel, en …. Het lijkt wel of er een deur wordt geopend. Ze worden gloeiend van opwinding.

‘Ik moest lijden en sterven en op de derde dag opstaan uit de dood… ‘

Jezus veegt zijn handen af aan een doek en staat op. ‘Kom laten we naar de Olijfberg gaan,’ stelt hij voor

Ze laten de boel de boel en slaan hun mantels om. Wat heerlijk om samen een wandeling te maken, dan kunnen ze nog eens goed over alles nadenken. De gesprekken zijn levendig en opwindend, wat nog wordt versterkt door de stevige bries die waait op de top van de Olijfberg. Wat een heerlijk uitzicht is dit toch.

De Meester gaat verder met zijn uitleg van daarnet.

‘In mijn naam worden alle volken opgeroepen om tot inkeer te komen, opdat hun zonden vergeven zullen worden.’

Petrus wil de Heer niet onderbreken, dat zou ongepast zijn, maar hij denkt: ‘Wat krijgen we nou? Alle volken? Dus is het heil dan niet alleen voor Israël?’

‘Alle volken moeten het horen,’ zegt Jezus met nadruk, ‘tot aan het uiterste van de aarde en dat is jullie opdracht. Ga het vertellen aan iedereen en begin bij Jeruzalem. Wees niet bang, ikzelf zal er voor zorgen dat jullie kracht krijgen door de heilige Geest. Blijf tot die tijd wachten in Jeruzalem…’

Petrus valt op zijn knieën en Andreas valt naast hem neer. Deze Jezus, hun vriend is werkelijk Gods Zoon, ze aanbidden hem. De meeste anderen volgen hun voorbeeld en dat is heel wat voor een Jood, want die aanbidden niemand anders dan God. Ze sterven nog liever…

‘Mij is alle macht gegeven in hemel en op aarde,’ klinkt het dan uit Jezus’ mond. ‘Ga op weg en maak alle volken tot mijn discipelen door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Leer hen dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd altijd dit voor ogen…’ Jezus stem vervaagt wat, klinkt verder weg, zachter en zachter, ‘Ik ben met jullie, alle dagen tot de voleinding van de wereld…..’

Ze kijken omhoog en zien hem tot hun stomme verbazing omhoog gaan als een ballon, tot een wolk hem aan hun ogen onttrekt.

Ze zijn verbijsterd, springen en wijzen… daar… daar gaat hun vriend… naar huis, naar het huis van zijn Vader, de hemel om zijn prijs, het koningschap in ontvangst te nemen.

Als Jezus uit het oog verdwenen is blijven ze nog naar de hemel staren, totaal beduusd, totdat er twee mannen in witte kleren bij hen komen staan, die hen tot de werkelijkheid terug trachten te brengen.

‘Deze Jezus, die uit jullie midden naar de hemel is gegaan,’ zeggen ze, ‘zal op dezelfde manier terugkomen.’

Een engelenboodschap? Wat gebeurt er op deze merkwaardige dag, deze Hemelvaartsdag?

 

Hoe ze in Jeruzalem gekomen zijn, weten de discipelen zelf niet meer. Wat een Overwinnaar is hun Heer: Jezus Christus, Zoon van God.

Download PDF